GRONDWET
voor het
KONINKRIJK DER NEDERLANDEN
Constitution for the kingdom of the Netherlands
***
(Tekst, zoals deze luidt na de laatstelijk bij de daarin
aangebrachte veranderingen)
Text, as it is after the recent changes therein that have been made:
Rijkswet van 10 juli 1995 (Stb.
401; Publicatieblad van de Nederlandse Antillen 139; Afkondigingsblad
van Aruba 62),
de Rijkswet van 10 juli 1995 (Stb. 402; Publicatieblad van de
Nederlandse Antillen
140; Afkondigingsblad van Aruba 63), de wet van 10 juli 1995 (Stb. 403)
en de wet van
10 juli 1995 (Stb. 404)
HOOFDSTUK 1 GRONDRECHTEN
Artikel 1
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk
behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras,
geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
All that are present in the Netherlands, are in equal cases treated
equal.
***
Discrimination because of religion, view of life, political conviction,
race,
gender or whichever other grounds, is not permitted.
Artikel 2
1. De wet regelt wie Nederlander is.
2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere
voorschriften
omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de
gevallen, bij de wet
bepaald.
Artikel 3
Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
Artikel 4
Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen
vertegenwoordigende
organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden
verkozen, behoudens
bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.
Artikel 5
Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in
te dienen.
Artikel 6
***
1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging,
individueel of in
gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders
verantwoordelijkheid
volgens de wet.
Everyone has the right to his religion or view of life, individually or
in
communianship with others, free to confess, save everyones'
responsibility
according to the law.
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen
en besloten
plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het
belang van het
verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
The law can in the case of excercising this eight outside buildings and
confined places,
pose rules for the protection of health, in the interest of trafic en
for the
countering or prevention of disorders.
Artikel 7
***
1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om
door de drukpers gedachten of gevoelens
te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
No-one needs prior permission to utter thoughts or feelings by print,
save everyones
responsability according to the law.
2. De wet stelt regels omtrent radio en
televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op
de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
The law poses rules concerning radio and television. There is no prior
censorship
on the content of a radio or television broadcast.
3. Voor het openbaren van gedachten of
gevoelens door andere dan in de voorgaande
leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens
de inhoud
daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet
kan het geven
van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar
regelen ter
bescherming van de goede zeden.
For the revealing of thoughts or feelings through other means than
mentioned in the
previous articles, no-one needs prior permission because of the content
thereof,
save everyones resonsability according to the law. The law can arrange
the giving of
performances attendable for persons younger than sixteen years for the
protection
of the good moral.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
handelsreclame.
The previous articles are not applicable to the making of merchandize
advertisements.
Artikel 8
Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden
beperkt in het
belang van de openbare orde.
Artikel 9
***
1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet.
The right to gather en protest is recognized, save everyones
responsability
according to the law.
2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het
belang van het
verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
The law can pose rules for the protection of health, in the interest of
trafic
and for countering and prevention of disorders.
Artikel 10
***
1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen
beperkingen, recht op
eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
Everyone has, save limitations to be imposed by or according to the
law, the right
to have their personal living atmosphere honored.
2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer
in verband met
het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
The poses rules for the protection of the personal living atmosphere in
relation with
the storage and giving out of personal data.
3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op
kennisneming van over hen
vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt,
alsmede op
verbetering van zodanige gegevens.
The law poses rules in the case of appeals of persons as to acquiring
knowledge of
data having been recorded about them, and to the use that is made
thereof, and
as well to the improvement of such data.
Artikel 11
***
Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op
onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Everyone has, save limitations to be imposed by or according to the
law, the right
to the integrety of their bodies.
Artikel 12
***
1. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen
geoorloofd in
de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij
of krachtens de
wet zijn aangewezen.
Entering a house against the will of the person living therein is only
permitted
in the cases determined by or through law, by those appointed thereto
by or through
law.
2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid zijn
voorafgaande
legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist,
behoudens bij de
wet gestelde uitzonderingen. Aan de bewoner wordt een schriftelijk
verslag van het
binnentreden verstrekt.
For the entering according to the previous article member prior
identification
and statements of the purpose of the entering are demanded, save
exceptions
posed by law. The habitant is supplied with a written report of the
entering.
Artikel 13
***
1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet
bepaald, op
last van de rechter.
The secrecy of letters cannot be broken, except, in the cases
determined by law,
by order of a judge.
2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de
gevallen bij de
wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn
aangewezen.
The telephone and telegraph secrecy cannot be violated, except, in the
cases
determined by law, through
Artikel 14
1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en
tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar
bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer
in geval van
nood onverwijld onteigening geboden is.
3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op
schadeloosstelling
of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom
door het
bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening
van het
eigendomsrecht wordt beperkt.
Artikel 15
1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn
vrijheid
worden ontnomen.
2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is
ontnomen, kan aan de
rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door
de rechter
gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de
onmiddellijke
invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig
oordeelt.
3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is
ontnomen, vindt
binnen een redelijke termijn plaats.
4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt
in de
uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de
vrijheidsontneming
verdraagt.
Artikel 16
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke
strafbepaling.
Artikel 17
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet
hem toekent.
Artikel 18
1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan
minder
draagkrachtigen.
Artikel 19
1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der
overheid.
2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid
verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent
medezeggenschap.
3. Het recht van iedere Nederlander op vrije
keuze van arbeid wordt erkend, behoudens
de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.
Artikel 20
1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn
voorwerp van
zorg der overheid.
2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien,
hebben een
bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 21
De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en
de
bescherming en verbetering van het leefmilieu.
Artikel 22
1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der
overheid.
3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele
ontplooiing en voor
vrijetijdsbesteding.
Artikel 23
1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering .
2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de
overheid en, voor
wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek
naar de
bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en
ander bij de wet
te regelen.
3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst
of
levensovertuiging, bij de wet geregeld.
4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen
vormend lager
onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet
te stellen
regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het
ontvangen van
zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.
5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de
openbare kas te
bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met
inachtneming, voor
zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig
geregeld, dat
de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd
bijzonder onderwijs en
van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die
regeling wordt
met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze
der
leermiddelen en de
aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de
wet te stellen
voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar
onderwijs uit de
openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor
het bijzonder
algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen
uit de
openbare kas worden verleend.
8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag
aan de
Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2 REGERING
§ 1. Koning
Artikel 24
Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van
Koning Willem I,
Prins van Oranje-Nassau.
Artikel 25
Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens
erfopvolging over op zijn
wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met
plaatsvervulling
volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het
koningschap op
gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan
van zijn
grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning
niet verder
bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.
Artikel 26
Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het
overlijden van de
Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt
het dood ter
wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Artikel 27
Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de
regels in de
voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun
nakomelingen zijn
van de erfopvolging uitgesloten.
Artikel 28
1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende
toestemming, doet
daardoor afstand van het koningschap.
2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een
zodanig huwelijk
aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun
nakomelingen van de
erfopvolging uitgesloten.
3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een
voorstel van wet,
strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.
Artikel 29
1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een
wet een of
meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.
2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De
Staten-Generaal
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen
het voorstel
alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen.
Artikel 30
1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan
deze worden
benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning
ingediend. Na de
indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden.
De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde
vergadering.
Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van
het aantal
uitgebrachte stemmen.
2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het
koningschap een
opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen
binnen vier
maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen
ten einde te
besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger
alleen
benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Artikel 31
1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden
opgevolgd door zijn
wettige nakomelingen.
2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit
artikel zijn van
overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog
geen Koning is.
Artikel 32
Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft
aangevangen, wordt hij
zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in
een openbare
verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft
trouw aan de
Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere
regels vast.
Artikel 33
De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd
van achttien
jaar heeft bereikt.
Artikel 34
De wet regelt de voogdij over de minderjarige Koning. De
Staten-Generaal beraadslagen
en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Artikel 35
1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is
het
koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van
het daartoe
gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die
daarop in
verenigde vergadering bijeenkomen.
2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de
Koning buiten staat
is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend
gemaakt op last
van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.
3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te
oefenen, wordt dit
bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter
zake in
verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat
de Koning de
uitoefening van het koninklijk gezag.
4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning
indien hij
buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De
Staten-Generaal
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Artikel 36
De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk
neerleggen en die
uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of
vanwege hem
wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake
in verenigde
vergadering.
Artikel 37
1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan
zijn;
c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit
te oefenen;
d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk
heeft
neergelegd;
e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het
koningschap een
opvolger ontbreekt.
2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen
en besluiten
ter zake in verenigde vergadering.
3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de
nakomeling van de
Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien
hij de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe
vervulling van
zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet
geeft nadere
regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de
vervanging
daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in
verenigde
vergadering.
5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 38
Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien,
wordt dit
uitgeoefend door de Raad van State.
Artikel 39
De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.
Artikel 40
1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar
regels bij de
wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het
koninklijk huis
uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze
uitkeringen.
2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de
vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun
functie, zijn
vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn
vermoedelijke
opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van
het
koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en
schenking. Verdere
vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.
3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige
leden bedoelde
wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte
stemmen.
Artikel 41
De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.
§ 2. Koning en ministers
Artikel 42
1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.
2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.
Artikel 43
De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk
besluit benoemd
en ontslagen.
Artikel 44
1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder
leiding van
een minister.
2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de
leiding van een
ministerie.
Artikel 45
1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.
2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.
3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen
regeringsbeleid en
bevordert de eenheid van dat beleid.
Artikel 46
1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en
ontslagen.
2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het
nodig acht en
met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op.
De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de
verantwoordelijkheid van de minister.
Artikel 47
Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een
of meer
ministers of staatssecretarissen ondertekend.
Artikel 48
Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd,
wordt mede door
hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers
en de
staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de
minister-president ondertekend.
Artikel 49
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de
staatssecretarissen
bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed,
dan wel
verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw
aan de
Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3 STATEN-GENERAAL
§ 1. Inrichting en samenstelling
Artikel 50
De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.
Artikel 51
1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.
2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.
3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.
4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één
beschouwd.
Artikel 52
1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur
dan vier
jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste
Kamer in
overeenkomstige zin gewijzigd.
Artikel 53
1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van
evenredige
vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.
Artikel 54
1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de
Nederlanders die
de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te
bepalen
uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.
2. Van het kiesrecht is uitgesloten:
a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen
delict bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van ten
minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;
b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een
geestelijke
stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.
Artikel 55
De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van
provinciale staten. De
verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden
binnen drie
maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.
Artikel 56
Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men
Nederlander is, de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het
kiesrecht.
Artikel 57
1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.
2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister,
staatssecretaris,
lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer of lid van of
procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter
beschikking
heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de
Staten-Generaal, totdat
omtrent die beschikbaarstelling is beslist.
4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat
zij niet
gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der
kamers kunnen
worden uitgeoefend.
Artikel 58
Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en
beslist met
inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met
betrekking tot
de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.
Artikel 59
Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij
de wet
geregeld.
Artikel 60
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij
de
aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring
en belofte,
van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een
getrouwe
vervulling van hun ambt.
Artikel 61
1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.
2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren
van de kamers
kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.
Artikel 62
De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde
vergadering.
Artikel 63
Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de
Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De
kamers kunnen
een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee
derden van het
aantal uitgebrachte stemmen.
Artikel 64
1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.
2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe
verkiezing voor
de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer
binnen drie
maanden.
3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer
samenkomt.
4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede
Kamer vast;
de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een
na ontbinding
optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur
van de
ontbonden kamer zou zijn geëindigd.
§ 2. Werkwijze
Artikel 65
Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te
bepalen eerder
tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering
van de
Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren
beleid gegeven.
Artikel 66
1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.
2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal
aanwezige leden
het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.
3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering,
wordt
vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en
besloten.
Artikel 67
1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen
beraadslagen
of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende
leden ter
vergadering aanwezig is.
2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.
3. De leden stemmen zonder last.
4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd,
wanneer één lid
dit verlangt.
Artikel 68
De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk
en in
verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer
leden verlangde
inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang
van de staat.
Artikel 69
1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de
vergaderingen en
kunnen aan de beraadslaging deelnemen.
2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde
vergadering worden
uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.
3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen,
daartoe door
hen aangewezen.
Artikel 70
Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde
vergadering, het recht
van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.
Artikel 71
De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen
en andere
personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte
worden vervolgd of
aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de
Staten-Generaal of van
commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben
overgelegd.
Artikel 72
De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een
reglement van orde
vast.
HOOFDSTUK 4 RAAD VAN STATE, ALGEMENE REKENKAMER EN VASTE COLLEGES VAN
ADVIES
Artikel 73
1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over
voorstellen van
wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over
voorstellen tot
goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te
bepalen gevallen
kan het horen achterwege blijven.
2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van
de geschillen
van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de
uitspraak voor.
3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in
geschillen van
bestuur opdragen.
Artikel 74
1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke
opvolger van de
Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van
rechtswege zitting
in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het
koninklijk huis
zitting in de Raad worden verleend.
2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven
benoemd.
3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te
bepalen leeftijd
worden zij ontslagen.
4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden
geschorst of
ontslagen.
5. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Artikel 75
1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de
Raad van State.
2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere
taken worden
opgedragen.
Artikel 76
De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten
en uitgaven van
het Rijk.
Artikel 77
1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit
voor het leven
benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede
Kamer der
Staten-Generaal.
2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te
bepalen leeftijd
worden zij ontslagen.
3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad
worden geschorst
of ontslagen.
4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Artikel 78
1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de
Algemene
Rekenkamer.
2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden
opgedragen.
Artikel 79
1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het
Rijk worden
ingesteld bij of krachtens de wet.
2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze
colleges.
3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan
adviserende taken
worden opgedragen.
Artikel 80
1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden
openbaar gemaakt
volgens regels bij de wet te stellen.
2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of
vanwege de
Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen
uitzonderingen, aan
de Staten-Generaal overgelegd.
HOOFDSTUK 5 WETGEVING EN BESTUUR
§ 1. Wetten en andere voorschriften
Artikel 81
De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de
Staten-Generaal
gezamenlijk.
Artikel 82
1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de
Koning en door de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in
verenigde
vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege
de Koning en,
voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door
de verenigde
vergadering.
3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer
onderscheidenlijk de
verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig
gemaakt.
Artikel 83
Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden
gezonden aan de
Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in
verenigde
vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.
Artikel 84
1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning,
niet door de
Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen,
kan het door
haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden
gewijzigd.
2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering
een door haar in
te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op
voorstel van
een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig
is gemaakt,
worden gewijzigd.
Artikel 85
Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot
indiening van een
voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het
voorstel
overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De
Tweede Kamer kan
een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in
de Eerste
Kamer te verdedigen.
Artikel 86
1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is
aangenomen, kan het
door of vanwege de indiener worden ingetrokken.
2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering
een door haar in
te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid
of de leden
door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.
Artikel 87
1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is
aangenomen en door de
Koning is bekrachtigd.
2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit
omtrent enig
voorstel van wet.
Artikel 88
De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij
treden niet
in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.
Artikel 89
1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit
vastgesteld.
2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen
gegeven krachtens
de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.
3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene
maatregelen
van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
andere vanwege het
Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.
§ 2 Overige bepalingen
Artikel 90
De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.
Artikel 91
1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet
opgezegd
zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt
de gevallen
waarin geen goedkeuring is vereist.
2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan
voorzien in
stilzwijgende goedkeuring.
3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet
dan wel tot
zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen
verlenen met ten
minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Artikel 92
Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid,
kunnen bij of
krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot
wetgeving,
bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
Artikel 93
Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, die
naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht
nadat zij zijn
bekendgemaakt.
Artikel 94
Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen
toepassing,
indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende
bepalingen van
verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 95
De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten
van
volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 96
1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande
toestemming van
de Staten-Generaal.
2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de
Staten-Generaal ten
gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is
gebleken.
3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde
vergadering.
4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige
toepassing voor
een verklaring dat een oorlog beëindigd is.
Artikel 97
1. Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken
tot handhaving
van de onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn
grondgebied.
2. Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die plicht
worden opgelegd.
Artikel 98
1. Tot bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht
die bestaat uit
vrijwillig dienenden en mede kan bestaan uit dienstplichtigen.
2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.
3. De wet regelt de verplichte krijgsdienst en de bevoegdheid tot
opschorting van de
oproeping in werkelijke dienst. Zij regelt ook de verplichtingen die
aan hen, die
niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's lands verdediging
opgelegd kunnen
worden.
Artikel 99
Bij de wet worden de voorwaarden genoemd, waarop wegens ernstige
gewetensbezwaren
vrijstelling van de krijgsdienst wordt verleend.
Artikel 100
Vreemde troepen worden niet dan krachtens een wet in dienst genomen.
Artikel 101
(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 401)
Artikel 102
1. Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Rijks kas
voldaan.
2. De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de
transporten en
leverantiën van welke aard ook voor de legers of
verdedigingswerken van het Rijk
gevorderd, kunnen niet dan volgens algemene regels bij de wet te
stellen en tegen
schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten
worden gebracht.
3. De uitzonderingen op die algemene regels voor het geval van oorlog,
oorlogsgevaar
of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.
Artikel 103
1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of
inwendige
veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te
wijzen
uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.
2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de
bevoegdheden van
de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de
grondrechten geregeld
in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en
besloten plaatsen
van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede
lid, en 13,
alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts,
zolang deze
niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks
nodig oordelen
beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij
beraadslagen en
besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Artikel 104
Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere
heffingen van
het Rijk worden bij de wet geregeld.
Artikel 105
1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt
bij de wet
vastgesteld.
2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of
vanwege de
Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.
3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk
wordt aan de
Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door
de Algemene
Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal
overgelegd.
4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het
Rijk.
Artikel 106
De wet regelt het geldstelsel.
Artikel 107
1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk
en
strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot
regeling van
bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.
2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.
Artikel 108
1. De wet stelt regels omtrent de instelling, bevoegdheid en werkwijze
van een of
meer algemene, onafhankelijke organen voor het onderzoek van klachten
betreffende
overheidsgedragingen.
2. Strekt de werkzaamheid zich uit tot gedragingen van de
rijksoverheid, dan
geschiedt benoeming door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ontslag
kan
plaatsvinden in de gevallen bij de wet aangewezen.
Artikel 109
De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens
regels omtrent hun
bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.
Artikel 110
De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid
volgens regels bij
de wet te stellen.
Artikel 111
Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6 RECHTSPRAAK
Artikel 112
1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen
over
burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke
rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke
macht, hetzij
aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt
de wijze van
behandeling en de gevolgen van de beslissingen.
Artikel 113
1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van
strafbare feiten.
2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet
geregeld.
3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de
rechterlijke macht worden
opgelegd.
4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan
de wet
afwijkende regels stellen.
Artikel 114
De doodstraf kan niet worden opgelegd.
Artikel 115
Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan
administratief
beroep worden opengesteld.
Artikel 116
1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.
2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de
rechterlijke
macht.
3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht
mede wordt
deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.
4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met
rechtspraak
belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door
de personen
bedoeld in het vorige lid.
Artikel 117
1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de
procureur-generaal
bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.
2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te
bepalen leeftijd
worden zij ontslagen.
3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet
aangewezen, tot
de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.
4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Artikel 118
1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een
voordracht van
drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet
bepaald, belast met
de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.
3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden
opgedragen.
Artikel 119
De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen
staan wegens
ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden
terecht voor de
Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk
besluit of bij een
besluit van de Tweede Kamer.
Artikel 120
De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van
wetten en
verdragen.
Artikel 121
Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de
terechtzittingen in het
openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten.
De uitspraak
geschiedt in het openbaar.
Artikel 122
1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij
de wet
aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te
stellen
voorschriften.
2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.
HOOFDSTUK 7 PROVINCIES, GEMEENTEN, WATERSCHAPPEN EN ANDERE OPENBARE
LICHAMEN
Artikel 123
1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe
ingesteld.
2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.
Artikel 124
1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en
bestuur inzake
hun huishouding aan hun besturen overgelaten.
2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en
gemeenten worden
gevorderd bij of krachtens de wet.
Artikel 125
1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale
staten
onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar,
behoudens bij de
wet te regelen uitzonderingen.
2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde
staten en de
commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college
van
burgemeester en wethouders en de burgemeester.
3. De commissaris van de Koning en de burgemeester zijn voorzitter van
de
vergaderingen van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad.
Artikel 126
Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning voorts
wordt belast
met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.
Artikel 127
Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of
door hen
krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale
onderscheidenlijk de
gemeentelijke verordeningen vast.
Artikel 128
Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van
bevoegdheden,
als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die,
genoemd in
artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de
gemeenteraad
geschieden.
Artikel 129
1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden
rechtstreeks gekozen
door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie
onderscheidenlijk de
gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing
van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde
vereisten.
2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige
vertegenwoordiging binnen
door de wet te stellen grenzen.
3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing.
4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier
jaren, behoudens
bij de wet te bepalen uitzonderingen.
5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het
lidmaatschap kunnen
worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het
lidmaatschap
voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij
de wet
aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
6. De leden stemmen zonder last.
Artikel 130
De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het
recht lid van de
gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander
zijn, mits zij
tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die
tevens Nederlander
zijn.
Artikel 131
De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk
besluit
benoemd.
Artikel 132
1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de
samenstelling
en bevoegdheid van hun besturen.
2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.
3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht
worden
onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.
4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden
bij koninklijk
besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien
van regeling en
bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen
met afwijking
van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het
geval het bestuur
van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.
6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en
gemeenten
kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het
Rijk.
Artikel 133
1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun
taken en
inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden
volgens bij de wet
te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of
krachtens de wet
niet anders is bepaald.
2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen
van de
waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.
3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen.
Vernietiging
van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met
het recht of
het algemeen belang.
Artikel 134
1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en
bedrijf en andere
openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen,
de
samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid
van hun
vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen
verordenende bevoegdheid
worden verleend.
3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van
besluiten van deze
besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
Artikel 135
De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer
openbare lichamen
zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar
lichaam worden
voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van
toepassing is.
Artikel 136
De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit
beslist, tenzij
deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun
beslissing bij de
wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8 HERZIENING VAN DE GRONDWET
Artikel 137
1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die
voorstelt, in
overweging zal worden genomen.
2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de
Koning
ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.
3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de
Tweede Kamer
ontbonden.
4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers
in tweede
lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij
kunnen dit alleen
aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de
Koning
ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen
een voorstel tot verandering splitsen.
Artikel 138
1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering
in de Grondwet
door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:
a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van
de Grondwet
voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;
b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en
artikelen, alsmede de
opschriften worden gewijzigd.
2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid, onder
a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het
aantal
uitgebrachte stemmen.
Artikel 139
De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en
door de Koning
bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.
Artikel 140
Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn
met een
verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor
overeenkomstig de
Grondwet een voorziening is getroffen.
Artikel 141
De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit
bekendgemaakt, waarbij
hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en
verwijzingen
dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.
Artikel 142
De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der
Nederlanden in
overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en 141 zijn van
overeenkomstige toepassing.
ADDITIONELE ARTIKELEN*
* Indien (gedeelten van) een of meer artikelen van de
Grondwet naar de tekst van 1972 danwel 1987 ingevolge
een additioneel artikel vooralsnog van kracht blijven, is
de tekst hiervan -verkleind- achter het desbetreffende
additionele artikel opgenomen.
Artikel I
(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 402)
Artikelen II-VIII
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel IX
Artikel 16 is niet van toepassing ten aanzien van feiten, strafbaar
gesteld krachtens
het Besluit Buitengewoon Strafrecht.
Artikel X
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel XI
De formulieren voor de eden en beloften, vastgesteld bij de artikelen
44 en 53 en
voor de verklaring, vastgesteld bij artikel 54 van de Grondwet naar de
tekst van
1972, blijven van kracht totdat daarvoor bij de wet een regeling is
getroffen.
Artikel 44
Bij het aanvaarden van het regentschap legt de Regent in een verenigde
vergadering
van de Staten-Generaal in handen van de Voorzitter de volgende eed of
belofte af:
,,Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof), dat ik in
de waarneming
van het Koninklijk gezag, zolang de Koning minderjarig is (zolang de
Koning buiten
staat blijft de Regering waar te nemen of zolang de uitoefening van het
Koninklijk
gezag is neergelegd), de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van
de Staat met
al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemene en
bijzondere
vrijheid, en de rechten van alle des Konings onderdanen en van elk
hunner zal
beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemene en
bijzondere
welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking
stellen,
gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!"( ,,Dat beloof ik!")
Artikel 53
In deze vergadering wordt door de Koning de volgende eed of belofte op
de Grondwet
afgelegd:
,,Ik zweer (beloof) aan het Nederlandse volk, dat Ik de Grondwet steeds
zal
onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van de
Staat met
al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de algemene en
bijzondere vrijheid
en de rechten van alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot
instandhouding en
bevordering van de algemene en bijzondere welvaart alle middelen zal
aanwenden, welke
de wetten te Mijner beschikking stellen, zoals een goed Koning schuldig
is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!" ("Dat beloof Ik!'')
Artikel 54
Na het afleggen van deze eed of belofte wordt de Koning in dezelfde
vergadering
gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter de volgende
plechtige verklaring
uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd,
beëdigd of
bevestigd wordt:
,,Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandse volk en
krachtens de
Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven), dat wij Uw
onschendbaarheid en de
rechten Uwer Kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te
zullen doen wat
goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.
Zo waarlijk helpe ons God almachtig!'' (,,Dat beloven wij!")
Artikel XII-XVI
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel XVII
Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft
artikel 106,
vierde lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
Artikel 106, vierde lid
Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van een der beide
Kamers
aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op
non-activiteit.
Ophoudende lid te zijn, keren zij tot de werkelijke dienst terug.
Artikel XVIII
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel XIX
Het formulier van afkondiging, vastgesteld bij artikel 81 en de
formulieren van
verzending en kennisgeving, vastgesteld bij de artikelen 123,124,
127,128 en 130 van
de Grondwet naar de tekst van 1972, blijven van kracht totdat daarvoor
een regeling
is getroffen.
Artikel 81
Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:
"Wij" enz. ,,Koning der Nederlanden," enz.
"Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
"Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat" enz.
(De beweegredenen der wet.)
,,Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der
Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze" enz.
(De inhoud der wet.)
,,Gegeven", enz.
Ingeval een Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of
door de Raad
van
State wordt waargenomen, wordt de daardoor nodige wijziging in dit
formulier
gebracht.
Artikel 130
De Koning doet de Staten-Generaal zo spoedig mogelijk kennis dragen, of
Hij een
voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die
kennisgeving
geschiedt met een der volgende formulieren:
,,De Koning bewilligt in het voorstel."
of:
,, De Koning houdt het voorstel in overweging."
Artikel XX
(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 402)
Artikel XXI
1. Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen,
blijft het bepaalde
in de volgende artikelen van de Grondwet naar de tekst van 1972 van
kracht:
a. de artikelen 61 en 64, voor wat betreft de stilzwijgende goedkeuring;
b. artikel 62.
2. Zolang artikel 24 van het Statuut voor het Koninkrijk der
Nederlanden naar de
tekst van 1975 geldt, blijft ten aanzien van overeenkomsten welke de
Nederlandse
Antillen raken voor wat de stilzwijgende goedkeuring betreft, het
bepaalde in de
artikelen 61 en 64 van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
Artikel 61
De goedkeuring wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend verleend.
De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij de wet.
De stilzwijgende goedkeuring is verleend, indien niet binnen dertig
dagen na een
daartoe strekkende overlegging van de overeenkomst aan de beide Kamers
der
Staten-Generaal door of namens een der Kamers of door ten minste een
vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens wordt te kennen
gegeven, dat
de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden
onderworpen.
De in het vorig lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de tijd,
dat de
zitting der Staten-Generaal gesloten is.
Artikel 62
De goedkeuring is -behoudens in het geval, bedoeld in artikel 63- niet
vereist:
a. indien het een overeenkomst betreft, waarvoor dit bij de wet is
bepaald;
b. indien de overeenkomst uitsluitend betreft de uitvoering van een
goedgekeurde
overeenkomst, voor zover in de wet tot goedkeuring geen voorbehoud
terzake is
gemaakt;
c. indien de overeenkomst geen belangrijke geldelijke verplichtingen
aan het
Koninkrijk oplegt en voor ten hoogste een jaar is gesloten;
d. indien in buitengewone gevallen van dwingende aard het belang van
het Koninkrijk
zich er bepaaldelijk tegen verzet, dat de overeenkomst niet in werking
treedt dan
nadat zij is goedgekeurd .
Een overeenkomst, als bedoeld in het eerste lid onder d, wordt alsnog
zo spoedig
mogelijk aan goedkeuring van de Staten-Generaal onderworpen. Artikel 61
is daarbij
van toepassing. Indien de goedkeuring aan de overeenkomst wordt
onthouden, wordt de
overeenkomst zo spoedig als zulks rechtens mogelijk is beëindigd.
Tenzij het belang van het Koninkrijk zich daartegen bepaaldelijk
verzet, wordt zij
niet aangegaan dan onder voorbehoud van haar beëindiging bij
onthouding van
goedkeuring.
Artikel 64
Voor toetreding tot en opzegging van overeenkomsten vinden de
bepalingen van de vier
voorgaande artikelen overeenkomstige toepassing.
Artikelen XXII-XXIII
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel XXIV
Algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie van
ambtenaren, welke
niet op een wet berusten, kunnen tot de inwerkingtreding van een wet
welke die
rechtspositie regelt, worden gewijzigd op gelijke wijze als waarop zij
tot stand zijn
gekomen.
Artikel XXV
Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft
artikel 74,
eerste lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
Artikel 74, eerste lid
De Koning verleent adeldom.
Artikelen XXVI-XXIX
(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)
Artikel XXX
Totdat ter zake bij de wet een voorziening is getroffen, blijft artikel
101 van de
Grondwet naar de tekst van 1987 van kracht.
Artikel 101
Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden de
dienstplichtigen die niet in werkelijke dienst zijn, bij koninklijk
besluit geheel of
ten dele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt
onverwijld een
voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen
blijven der
dienstplichtigen zoveel nodig te bepalen.
Behoort bij het koninklijk besluit van 29 maart 1996
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal